dokteren in Kenya

In juli en augustus van dit jaar was ik een kleine twee maanden in Kenya als arts-vrijwilliger. Vanuit het huis in een kleine provinciestad, Siaya, in het Zuid-Westen van het land, terzijde van Lake Victoria, bezocht ik wekelijks dezelfde vijf dorpen waar mensen uit de wijde omgeving in de ochtenduren terecht konden. Dit in gezelschap van een nurse een driver/medicatiedistributeur en een councellor/proto-laborante. Luo- en Luyaland, voelbaar ver weg van Kikuyu-Nairobi. Veel HIV, nog (net?) geen Ebola. Voor de geïnteresseerde wat stukjes uit die tijd.

 

 

 

CPNB-verhaal

Zwart bloed

Guus Matser

 

 
De dag leek tamelijk gewoon verlopen, eigenlijk niet anders dan anders..
Om acht uur gaan opereren, daarna thuis de halve liter koude chocolademelk. Waarschijnlijk met een sigaretje, want dat was toen nog goed voor je. Nigeriaanse, vijf kobo voor tien stuks, een blauw pakje, “Flight”. Soms lukte het om in de grootstad wat Samson te verschalken, in Ikom was dat niet voorhanden.
Daarna de verwijzingen vanuit de polikliniek. Meestal zo’n dertig mensen, zo ook die dag. Kleine ingrepen, een enkele curettage, weer eens een boon uit een neus gepeuterd zonder verdere schade en later nog iemand verlost van zo’n enorm dijbeenabces. Meestal moest je handdiep naar binnen om alle tussenschotjes uit de weg te ruimen, zodat werkelijk alle pus zijn weg naar buiten kon vinden. Een drain achterlatend, geknipt uit een oude operatiehandschoen, en met een beetje geluk zou het van binnen naar buiten langzaam dichtgroeien.

Ik zat op het balkon een beetje na te peinzen. Altijd een goed moment, na mijn middagronde, het laatste halfuur voordat de zon uit de hemel viel. Want zo mocht je de schielijkheid van die tien minuten zonsondergang wel noemen. Alsof een grote hand heel langzaam de lichtschakelaar omdraaide. In de ‘natte tijd’, als de Cross-river vele malen breder werd, was er altijd zo’n uitgerekt moment dat er twee gloedvolle rode cirkels te zien waren. De ene net boven de zoom van de cacaoplantage aan de overkant van het water, de andere, bedrieglijk echt, juist onder die lichtgroene strook.
Had ik me nu toch weer als een dolle gedragen of bleef het terecht dat ik mij inspande om de druk hoog te houden? Matron had me weer eens meewarig nagekeken, maar werkelijk afkeuren deed ze het niet, dacht ik.

Tegen het einde van mijn poliwerk werd er een man binnengereden op de brancard. Een jaar of veertig, gekleed in een T-shirt en omslagdoek, zichtbaar heftig ziek. Pijn, zweten, waarschijnlijk koorts, en heel bleek. Bleek of blozend zwart is inderdaad iets heel anders dan gewoon zwart. Hij werd begeleid door zijn broer en een nichtje om hem te verzorgen, en kwam van Bendige Ayuk, niet zo ver van de weg, van de taxi’s. Ze hadden hem, bij navraag, wel een dag of wat thuis gehouden. Die bobbel in zijn lies, hoe pijnlijk ook, zou wel overgaan. Maar toen hij vanochtend vroeg ook was gaan overgeven en erg warm was geworden, toch maar naar het ziekenhuis, een halve dagreis.
Diagnostisch volstrekt helder, een ingeklemde liesbreuk met obstructie van de darm. Al een dag of vier. We brachten een infuus in, testten hem op bloedarmoede, en hij werd klaargemaakt voor de operatie. Iedereen tevreden.
Aangezien er een broer bij was, dacht ik mijn slag te kunnen slaan om m’n minimale bloedbankje wat aan te vullen. Zo niet voor de patiënt zelf, dan toch voor een volgende. Tenzij de petroleum in de ijskast weer eens op zou blijken en alles de vuilnisbak in kon.
Maar op het moment dat hem de portee van mijn bede duidelijk werd, begon hij nee te schudden. Eerst alleen met zijn hoofd, vervolgens met zijn handen, steeds resoluter, en uiteindelijk met zijn hele lijf. “No, no, no agree!” Hij sprong op en marcheerde de deur uit. Ik, de buit zo nabij, liep ijlings achter hem aan. Buitengekomen bleek hij al meters verder. Roepend zette ik een spurt in om hem desnoods anderszins te overtuigen. Met mij op zijn hielen rende hij de galerijen rond het centrale grasveld af, mijn “You need to!” in duet met zijn “No, no!”, om tenslotte via de poort naar het voorplein te verdwijnen. Mij hijgend achterlatend, en alle patiënten, hun familie en de verpleegkundigen in een schaterlachen. Bij de laatsten een blik van ‘hij heeft het weer eens op zijn heupen’.
De operatie verliep zonder complicaties. Een klein stuk van de darm had ik weg moeten nemen, maar de naad was niet gaan lekken.
Twee dagen later zat ik weer op het balkon, met bewondering de palmwijntapper gadeslaand die lager op de heuvel een van de vele oliepalmen inklom, blootsvoets, een lege kalebas aan zijn middel. Wat een behendigheid. Het leek hem nauwelijks meer moeite te kosten dan mijzelf op een fiets.
De deurbel ging, onverwacht op dit uur, tenzij er plots iemand binnengebracht was. Beneden stond de broer, de man die mij te snel af geweest was. Een open lach op het gezicht, niets schuldigs. Met het verzoek te praten!
Eenmaal boven nam hij het woord. “Ik ben u uitleg verschuldigd. Daar hebt u recht op. U doet uw werk, doet het goed heb ik gemerkt, en uw dringende vraag om bloed af te staan hoort daarbij. Alle respect daarvoor. En beiden weten we hoe moeilijk dat hier ligt. En ook waarom, daarvoor bent u lang genoeg hier. Wij Nigerianen leven in een wereld vol magie, vol van krachten, bekende en onbekende. De ‘Leopard-society’, u kent uw buurman, met alle geheimen die daarbij horen. De ‘Water-society’, de gevaarlijkste en grotendeels onbekende machten die in de rivier huizen. U gaat erin zwemmen, het deert ú niet, maar wij, mensen van buiten Ikom, zullen dat nooit doen. Wij overleven dat niet. En zo weet u ook hoe wij omgaan met wat ons lichaam voortbrengt. Haren, nagels, poep, pies, spuug of bloed. Alles wat in verkeerde handen valt, kan ernstige gevolgen hebben. Evil magic”.
Ik zat instemmend te knikken en genoot van zijn stem, zijn ogen, zijn helderheid.
“Dokter, wij zijn collega’s. U bent een dienaar van uw kennis, van pillen, drankjes, poeders, het mes, ingrijpen, opruimen. Gips en stil liggen.
Ik daarentegen dien de wereld van die andere krachten, als ‘native doctor‘. Via contact met de geesten, de potentie van de mens zelf, met behulp van de machten daarbuiten. Met geduld”.

Waarmee onze twee werelden, net als die twee zonnen onontkoombaar gescheiden, op tafel lagen. En wij ongegeneerd en luidop lachten, met vier handen in elkaar.
Een paar weken later bracht ik een eerste bezoek aan zijn ‘shrine’, de kleine kliniek. Twee dokters, vrinden twee.

Stand van zaken

14 oktober 2014, Callosa d’en Sarrià.
Na een half jaar van Blog-afwezigheid, volgend op de korte impuls van de start in april dit jaar, heb ik me voorgenomen de site weer bij te gaan houden. Het terug zijn in Spanje, meer licht en lucht, en wellicht een kort moment van alleen zijn, hielpen bij het uitschrijven van dit besluit. En, beter nog, naar ik hoop ook bij de uitvoering ervan.
De achterliggende maanden inderdaad nauwelijks geschreven. Het verhaal in wording heeft geheel stil gelegen, Wel ben ik tijdens mijn verblijf in Kenia toegekomen aan het vastleggen van een aantal observaties, waarmee ik de achterblijvers in Nederland een enkele keer verrast heb. Ben van plan daaruit wat stukjes te kiezen en hierin op te nemen. ‘De dokter als reiziger of vice versa’.

In mei ben ik overigens prettig verrast met het winnen van de CPNB-prijs voor korte verhalen, samen met vier anderen. Hetgeen uitmondde in een gezamenlijke reis van een week naar Marokko, met op de stoel naast de chauffeur Abdelkader Benali. Door alle aandacht die Kenia daarna nam, zou ik deze zeer plezierige entr’acte bijna vergeten zijn. ‘Mehmet-blik-op-de-weg’ is altijd een geliefd posthomerisch epitheton voor me gebleven. Nooit gedacht de geestelijk vader ervan van zo nabij te leren kennen. Ook daarvan zal ik pogen wat terug te zoeken.

verwondering

 

DSC03313

 

Gisteravond beneden tussen schaduwnet en bomen, de beginnende schemering, het tijdstip waarop onze vaste twee vleermuizen starten met hun nachtelijk racepartij, een voor ons nieuw tafereel meegemaakt. Bij aanvang deelden beide het luchtruim met een of twee nieuwelingen, nakroost?, voor het eerst in acht jaar. Hoe oud worden vleermuizen eigenlijk? Maar nog veel verrassender was de inmenging, je mag wel zeggen verschijning ten tonele, van een piepklein vogeltje, amper meer dan het formaat van de andere acteurs. Terwijl de laatste in onnavolgbare vaart hun rondjes draaiden tussen bomen en huis, in het spoor van hun echoroep, begaf het vogeltje zich in dit geweld door vanuit zijn plek op een heel lage boomtak loodrecht op te stijgen en in imitatie van een kolibrie of humming bird zich een handvol seconden op te houden in het centrum van het motorisch geweld van de zigzaggers. En dit niet één keer, maar steeds opnieuw. De vleermuizen, waarschijnlijk in hun aanvliegroute verleid door de enorme echobron, konden keer op keer slechts op het nippertje botsingen voorkomen met deze al te enorme prooi. Of acteerden ze een aanval om hem weg te jagen? Vogellief bleef onverdroten doorgaan, ridder zonder vrees, en wij vroegen ons uiteraard af wat zijn of haar beloning kon zijn. Eigen prooi, een enkel insect per keer, of louter de lol van het spel met zijn nieuwe vrienden? Dat laatste vonden we de aardigste aanname. Van schemering naar donker verlegden de vleermuizen hun route naar de gewone wijde cirkels rond het huis en hield het spel voor de vogel op. Met louter ogen en oren is het immers slecht spelen in het duister.
De volgende avond, hetzelfde tijdstip, wilde ik net naar binnen snellen om te melden dat zowel nakroost als vogeltje niet meer meededen, maar kon meteen weer gaan zitten. Hetzelfde schouwspel, de op de lachspieren werkende helikopterbewegingen, naast de tegelijkertijd vreemde kwetsbaarheid ervan. Tot het duister viel. Prachtig. Een vaste plek voor ons in dit theater?

De schrijver als boer

Het gordijn van de slaapkamer lichtte op, maar oranje-rode tinten van de opkomende zon had het nog niet te pakken gekregen. Ik was al even wakker, hoorde het vertrouwde zachte gorgelen van de goot met ons bevloeiingswater aan de voet van de muur en merkte dat het gedurig gedruis van de regen, waarbij we ingeslapen waren, had opgehouden te bestaan. Vogels? Nog bijna geen. Met het gordijn open zou ik wellicht een enkele merel op de elektriciteitsdraden aantreffen, veel meer zou de buit niet zijn.
Enkele minuten later, kennelijk was het al tegen achten, verbrak het geluid van de klink van de garagedeur de stilte. Felix! Aan het weinig luidruchtige manoeuvreren was te merken dat hij zich bewust was dat wij mogelijk nog lagen te slapen. Ons stond een relatief zorgeloze dag te wachten, Vroege Vogels in bed, later een ontbijt buiten met de zon in de ogen en de oren om strijd gespitst op het vroege voorjaarsgekrakeel van onze gevederde vrienden en het al even interessante geluid van de radio, Onvoltooid Verleden Tijd. Hem daarentegen een dag van grote nijverheid, gedurig en inspannend. Want zo mag je het krenten van de nisperobomen wel noemen. ‘Het goud van Callosa’, de nispero.
Benoorden Spanje vrijwel onbekend, het uitleggen aan anderen is nooit opgehouden. De vruchten meenemen naar Utrecht is nooit gelukt, daarvoor zijn ze te kwetsbaar en bovendien, nauwelijks houdbaar. Een kleine, ovale, vijf tot acht centimeter grote vrucht, met een dunne huid, geel-rose-oranje van kleur, het is moeilijk uit te drukken. Een vrucht om ze mee te vergelijken ken ik niet. In Nederland groeit een ‘mispel’, de naam die ook voor de Spaanse vrucht gebruikt wordt. Maar enig gelijkenis ontbreekt totaal. Mogelijk is er verwantschap, maar dat heb ik eerlijk gezegd nooit uitgezocht. Verder lezen

Guus Matser, schrijver

DSC01521

Als puber nam ik al vaak een dubbelpositie in, binnen én op de flank van de groep, deelnemer en toeschouwer. Tevens altijd bezig met taal. Ik zou graag neerlandicus geworden zijn, maar vreesde het m.i. onvermijdelijke leraarschap. Restte de tweede liefde, het dokterschap, louter om de (kritische) psychiatrie in te kunnen. Opnieuw die randpositie, zorg voor zieken én beschouwing van ziek en/of afwijkend handelen binnen een cultuur, inclusief bijzonder taalgebruik. Ook de tussenstap als tropenarts in Nigeria lijkt hierin naadloos te passen. Evenals een leidende rol gedurende enkele jaren tijdens de Koude Oorlog in het verzet tegen een reeks min of meer geheime maar veel omvattende burgerwetten en de verhullende politieke ‘newspeak’ daaromheen.
Jarenlang, tot zo’n twee jaar geleden, genoten van mijn werk als psychiater. Hetgeen nog wat nadruppelt.
Van de diverse wijzen mezelf als mens te definiëren is dit er een: een kind van de tweede wereldoorlog (hoewel geboren in 1944) en van Vietnam.
Altijd geschreven. Een stapeltje kleine boekjes met bespiegelingen over reizen, werk, m’n kinderen, het verblijf in Spanje. Enkele teksten betreffende kunstenaars. Inmiddels korte verhalen, (waarvan drie (twee onder pseudoniem) gepubliceerd in ‘Prikkeldraad’, 2012. En onlangs een wat langer in ‘De Zuilen’, 2014. Beide uitgegeven door ‘De Dochters’ te Utrecht.
Met mijn eega woon ik al wat jaren deels in Spanje en worstel daar met een boomgaard.

21 april 2014: vernomen dat ik met een kort verhaal, ‘Zwart Bloed’, op de shortlist van de Abdelkader Benali / Nederland Schrijft-wedstrijd ben beland. 50 Uit 1750. Zeer vereerd. En een kans van 10% om met Benali naar Marokko te reizen. Het verhaal is op de site van ‘Nederland Schrijft’ te lezen.

Openingsbladzijde van manuscript in wording

Pas nadat ik al een paar keer in café Stavelot geweest was, begon hij mij op te vallen. Hij zat er ’s middags vrijwel altijd, kennelijk behorend tot het vaste meubilair van de kroeg, de vanzelfsprekende bejegening die hem ten deel viel. Slechts enkele woorden, meer was waarschijnlijk overbodig. De overigens weinig frequente bestellingen, kennelijk voorspelbaar, want zonder omhaal naar zijn tafel gebracht en afgeleverd met een glimlachend proost. Langzaamaan werd mij ook duidelijk dat hij eigenlijk altijd aan hetzelfde tafeltje zat, vreemd genoeg met zijn gezicht naar de muur en met net voldoende licht om te kunnen lezen. Je zou het een soort blikdekking kunnen noemen. Toen ik eenmaal op hem was gaan letten en weleens vóór hem binnen was, werd ook zichtbaar hoe ongelukkig hij kon rondscharrelen als bij zijn entree zijn vaste plek bezet bleek, gedwongen genoegen te nemen met een zitplaats elders. Waarmee hij dan enigszins schichtig genoegen nam, echter nooit zijn tas open klikte of werkelijk terugleunde in zijn stoel. Om als een veer op te springen als aan “zijn tafel” een pet werd opgezet of een hand zich uitstrekte naar een jas, en hij zich met jack en glas in de hand in de onmiddellijke nabijheid van zijn rechtmatige plaats te posteren.

Verder lezen

Schrijver, Psychiater, Sinaasappelboer